Vers van de maand oktober

O GOD, GIJ ZIJT ZO VER BIJ MIJ VANDAAN

O God, Gij zijt zo ver bij mij vandaan,
waarom wilt Gij niet nader tot mij komen?
Wanhopig roep ik: Wees met mij begaan!
Mijn armen zijn als takken van de bomen,
ik strek mij uit, een stam die kaal blijft staan
wanneer de herfst elk blad heeft weggenomen.

De dood heeft onverhoeds mijn boom beroerd,
een felle storm beschadigt schors en twijgen,
van al mijn wortels word ik afgesnoerd,
voor deze kracht moet ik mijn kruin wel neigen.
Woeste orkaan die op mijn leven loert,
jij woedt maar door – moet ik voor immer zwijgen?

O God, Gij zijt zo ver bij mij vandaan,
maar toch, o hoor, het fluistert in de bomen:
Toch gaat mijn leven op de lente aan!
Ik zie de bloesem groeien in mijn dromen –
zo zal ik groen en bloeiend voor U staan,
na deze winter zal de zomer komen!

Dan waait de Geest, die zachte zuidenwind,
dan is de zon een lust voor onze ogen;
alles wordt nieuw: een pasgeboren kind,
een jonge vogel die is uitgevlogen –
o God, wanneer Gij mij dan zoekt en vindt,
strek ik mijn takken juichend in de hoogte!

tekst: André F. Troost
melodie: gezang 487 Liedboek voor de Kerken
Zingende gezegend, Zoetermeer 1995, lied 307