Column van de maand maart

NIET ALLEEN

‘Nee, pa, het kan echt niet. Je kunt onmogelijk al die schilderijtjes meenemen naar dat bejaardenhuis. Ze zien je aankomen… En daarbij: wat moet je nou met zoveel wandbordjes en borduurwerkjes aan dat kleine stukje muur dat je daarvoor nog vrij hebt? Je hebt het toch zelf gezien? Er kan nog niet eens een kwart van al je spullen opgehangen worden!’

Hij stond een beetje beteuterd te kijken.

Dat hij een heleboel dingen zou moeten achterlaten, had hij allang begrepen. Hij was dan misschien niet helemaal in orde, maar bepaald niet gek.

‘Niet helemaal in orde.’

Hij had moeten wennen aan dat idee.

Trouwens, met z’n vrouw was het niet anders geweest. Die mankeerde zelfs het een en ander in haar hoofd. Ze begon dingen te vergeten. Steeds meer dingen.

Het begon met de verjaardagen van de kleinkinderen.

Later waren het de kleinkinderen zelf.

Van lieverlee vergat ze zo’n beetje alles. De pannen op het vuur. Het vuur zelf.

Het kon niet meer. Hoe hard ze er samen ook voor knokten, het kon niet langer zo. Ze moest naar een verzorgingshuis.

En hij?

‘Ik blijf hier’, zei hij dapper.

‘Ik zal wel leren voor mezelf te zorgen. Waarom zou een ander dat wel kunnen en ik niet?’

Hij had z’n best gedaan.

Maar het lukte niet.

Hij at nog maar een paar keer per week. Hij werd mager. Hij begon te drinken, iets meer dan goed is voor een mens.

‘Nou pa, wat sta je nou te staren? Je moet nu echt een knoop doorhakken, hoor. Morgenochtend komen ze van de kringloop en voor morgenmiddag hebben we dat busje gehuurd, dus je moet nu wel zeggen wat je in elk geval mee wilt nemen.’

‘In elk geval dat ding daar.’

Resoluut wees hij naar een ingelijst borduurwerkje aan de kamermuur. ‘Dat daar, dat moet in elk geval mee.’

‘Dat borduurding? Meen je dat nou? Wat vind je daar nu mooi aan?’

‘Dat heeft ma nog geborduurd. Erg mooi vind ik het ook niet, maar dat doet er niet toe. Ik wil het mee hebben en het moet hangen boven mijn bed.’

‘Ja, stil maar, het is goed. Kleine moeite. En wat wil je dan nog meer mee…?’

De volgende dag hing het boven zijn bed, tegen de zijmuur van zijn kamer in het bejaardenhuis. De kamer viel hem tegen. Die was een stuk kleiner dan hij had gedacht.

Alles viel hem tegen.

Nooit had hij gedacht nog eens alleen te moeten verhuizen.

Alleen. Helemaal alleen.

Hij had het ‘borduurding’ van de spijker gehaald, zodra de kinderen weg waren. En hij had half hardop gelezen wat er te lezen viel. Een gedicht van Geert Boogaard.

Er is een woord
dat altijd
om ons heen is;
en wie het zegt,
zegt daarmee
dat God een is:
Immanuël,
een woord dat altijd was;
en wie het hoort,
hoort dat hij niet alleen is.

André Troost