Column van de maand februari

EO (M+V)

De EO – een rots in de branding!

Wat er ook verandert in deze woelige tijden, de Evangelische Omroep staat als een huis!

Lopen tegenwoordig overal mannen en vrouwen dwars door elkaar heen, in kantoorgebouwen en klaslokalen, op werkvloeren en in regeringsgebouwen, bij de EO is alles nog zoals het altijd was. Daar zijn vrouwen niet in tel. Heerlijk!

Althans, dat dacht ik even toen ik onlangs weer eens zat te kijken en luisteren naar een uitzending van het programma Nederland zingt. Dat doe ik graag. Soms met kromme tenen. Soms (en dat gelukkig veel vaker) met een vrolijk hart.

Als lied nummer zoveel kwam het Onze Vader voorbij.

Nu zijn er uit diverse eeuwen versies die het Onze Vader nazingen, maar wat ik hoorde was de berijming die te vinden is in het Liedboek voor de Kerken.

In 1973, toen het Liedboek voor de Kerken verscheen, was menigeen blij en dankbaar voor allerhande gezangen die voor samenzang ons werden aangeboden. Zo ook voor de berijming van het aloude en vertrouwde ‘Gebed des Heren’, het Onze Vader, dat ooit door Maarten Luther geschreven was en in 1539 te Leipzig verscheen in de bundel Geistliche lieder auffs new gebessert und gemehrt.

Overigens kenden we in feite dat lied al veel langer. In mijn jonge jaren was het een van de weinige gezangen die predikanten in de eredienst mochten laten zingen. Althans, er waren toen nogal wat kerkenraden die uitsluitend voorgangers op de kansel duldden die naast de psalmen in de oude berijming slechts (en dan nog mondjesmaat!) uit het minibundeltje Enige Gezangen lieten zingen: de Tien Geboden des Heren, de Lofzang van Zacharias, die van Maria, de Avondzang of de berijming van het Onze Vader, het zogenaamde Gebed des Heren.

O allerhoogste Majesteit,
die in het rijk der heerlijkheid
de heem’len hebt tot uwen troon,
wij roepen U in uwen Zoon,
die voor ons heeft genoeg gedaan,
als onzen Vader need’rig aan.

In de vorige eeuw kwamen de dichters Jan Wit (1914-1980) en Jan Willem Schulte Nordholt (1920-1995) er aan te pas om in eigentijdse taal dit oude lied geschikt te maken voor de gemeente in ons lage landje bij de zee. Wat Jan en Wim ervan maakten? Voortaan zongen we met gezang 48 in het Liedboek voor de Kerken:

O onze Vader, trouwe Heer,
zie uit uw hemel op ons neer…
Niets mis mee, zou je zeggen.

Tot je in 2017, op een dag in de (nota bene!) eenentwintigste eeuw, in een televisieprogramma van de Evangelische Omroep open monden ziet van eigentijds geklede vrouwen die luidkeels zingen:

breng ons als broeders bij elkaar,
maak onze arme woorden waar,
laat wat wij spreken met de mond
opwellen uit des harten grond.

Nu gaat het mij niet eens zozeer om die ‘arme woorden’ en evenmin om die opwelling ‘uit des harten grond’. Het gaat mij om die broeders!

Nu weet ik wel dat we die broeders niet aan Jan Wit of Wim Schulte Nordholt hebben te danken, maar aan Maarten Luther. Hij schreef oorspronkelijk:

Vater unser im Himmelreich,
Der du uns alle heißest gleich
Brüder sein und dich rufen an
Und willst das Beten von uns han,
Gibt, daß nicht bet allein der Mund,
Hilf, daß es geh von Herzensgrund.

Al met al treffen we dus in gezang 48 in het Liedboek voor de Kerken een berijming aan die in de derde regel van het eerste couplet iets beter laat doorschemeren wat Luther voor ogen stond dan de berijming die ik eerder leerde kennen in de bundel Enige Gezangen.

En toch krijg ik die latere tekst van Jan en Wim niet door de keel. Echt niet. Sterker nog, ik schrik als ik zo’n tekst voorbij hoor komen op de televisie… ‘Breng ons als broeders bij elkaar…’

In gedachten zie ik dan op dat moment moslims naar de EO kijken. Zeker, de fundamentalistische mannen onder hen zullen zo’n tekst wel kunnen waarderen… Maar of je er vrouwen een plezier mee doet betwijfel ik zeer. En dan zwijg ik nog maar over feministisch ingestelde kijkers. Je zult toch maar een rasechte feminist (m/v) zijn en toevallig de televisie aan hebben staan. Kijk: zingende vrouwen! Leuk! Mooi! En wat zingen ze? ‘Breng ons als broeders bij elkaar…’

Als ik vrouw was, zou ik subiet een boze brief naar de EO schrijven, ook al was ik zelf tien keer zo evangelisch als Andries Knevel en Tijs van den Brink bij elkaar.

In alle ernst, lieve EO: willen jullie alstublieft een beetje op jullie woorden letten?

De woorden uit gezang 48 in het Liedboek voor de Kerken zijn ‘arme woorden’. Ze missen maar liefst de helft van de door onze hemelse Vader geschapen mensheid. Dus: hoe arm, die woorden!

Dat het anders kan, bewijst gezang 370 in het enkele jaren geleden verschenen Liedboek – zingen en bidden in huis en kerk. Wie dat gezang schreef, doet nu niet ter zake. Het gaat om de inhoud. En mij dunkt: die kan gezongen worden door broeders én zusters samen. Hier volgt – en dan zwijg ik er verder over – de bedoelde tekst:

Vader, die woont in hemels licht,
uw rijk geeft liefde een gezicht –
uw Naam is waard de hoogste eer!
Wij bidden om een ommekeer:
wek doden op, maak armen rijk,
laat komen, Heer, uw koninkrijk.

Uw wil geschiede, goede God,
laat ons niet over aan ons lot,
bewaar de aarde voor de dood
en geef van dag tot dag ons brood.
Vergeef als wij: laat uw geduld
steeds groter zijn dan onze schuld.

Leid ons niet in verzoeking, Heer,
verlos ons, maak ons meer en meer
tot mensen aan uw beeld gelijk –
want U behoort het koninkrijk,
de kracht, de hoogste heerlijkheid
nu en in alle eeuwigheid.

André F. Troost

 PS Sorry, EO: ik had dit allemaal niet moeten schrijven… Nog maar nauwelijks was de digitale inkt van deze column droog of ik zag tot mijn vreugde in een latere aflevering van ‘Nederland zingt’ bovenstaande versie van het Onze Vader voorbijkomen: ‘Vader, die woont in hemels licht’, prachtig gezongen door Kamerkoor Cantiago in de Jacobikerk te Utrecht. Met een gerust hart onderstreep ik dus vrolijk de titel van dit artikel…