Auteursarchief: marianne

Liefde, bovenaardse liefde

Liefde, bovenaardse liefde,
sterk, nog sterker dan de dood,
anders dan mijn eigen liefde,
langer, breder, gaaf en groot:
open hart voor alle volken,
zachte kracht in wel en wee,
hoger dan de hoogste wolken,
dieper dan de diepste zee.

Liefde boven alle liefde,
liefde die te loven is
boven zogenaamde liefde
die geen vuur maar oven is;
liefde die niet schreeuwt, niet schettert,
schel, een schallende cimbaal,
liefde die niet hels trompettert,
fluisterzacht: Gods moedertaal.

Sterker dan de grootste liefde,
veelbelovend morgenrood,
hemelhoog,  zo kleurt uw liefde:
zonnelicht, als bloed zo rood.
Liefde, Geest van God gegeven,
raak mij aan en maak mij vrij,
vul mijn hart, mijn hele leven,
liefde, stroom vandaag door mij!

tekst: André F. Troost

melodie: Rowland Hugh Prichard (Love Divine)

 

Kyrieleis, heb medelijden

Kyrieleis, heb medelijden,
de schepping klaagt, de aarde huilt –
akkers en weiden: straks woestijnen,
het voedsel schaars, de grond vervuild.

Kyrieleis, heb medelijden,
de schepping kreunt, de aarde vraagt:
gun ons de tijd nog te vermijden
dat al wat leeft wordt weggevaagd.

Kyrieleis, heb medelijden,
de schepping schreeuwt, de aarde zucht –
hoe konden wij zo bruut ontwijden
uw werk: het land, de zee, de lucht?

Kyrieleis, heb medelijden,
de schepping roept, de aarde smeekt –
dit is toch niet het eind der tijden,
nu hebzucht wereldwijd zich wreekt?

Kyrieleis, heb medelijden,
de schepping bidt, de aarde hoopt
op U, op ons – een jaargetijde
dat al ons vuil in schoonheid doopt.

tekst: André F. Troost
melodie: gezang 488a Liedboek voor de Kerken
of gezang 310 Liedboek – zingen en bidden in huis en kerk

 

God van Abram, Isaak, Jacob

God van Abram, Isaak, Jacob,
zon, waarachtig, warm en puur,
bron van liefde, ja en amen,
God van vreugde, vrede, vuur!
Zou verstand ooit, vroeg of laat,
uw geheimenis doorgronden?
Toch weet ik dat U bestaat:
Heer, U hebt mijn hart gevonden.

God van Abram, Isaak, Jacob,
God van tasten in geloof,
God van vasten, wachten, waken,
God van arm en blind en doof,
God van tobbers, twijfelaars,
God van engelen én beesten:
helden, lafaards, bedelaars –
God, géén God? Wie zal het weten?

God van Abram, Isaak, Jacob,
God van Christus, onze Heer,
hoor, mijn hart en hoofd tezamen
brengen U de hoogste eer!
God, maar niet van wie geleerd
wijsheid zoekt bij filosofen –
God van wie hier knielen leert,
doe mij als een kind geloven.

tekst: André F. Troost

melodie: psalm 25

met dank aan Blaise Pascal, voor het afscheid van dr. Arjan Plaisier als scriba van de Generale Synode van de Protestantse kerk in Nederland, juni 2016; opgenomen in ‘Waar een Woord is…’, Zoetermeer 2016:19

Balanceren tussen Kyrie en Gloria

In de serie interviews met dichters van het Liedboek (2013) is deze keer het woord aan André Troost (*1948). Hij was achtereenvolgens predikant te Doeveren (classicaal jeugdwerk), Asperen, Ermelo, Amsterdam/Zunderdorp en Heusden. Op zijn naam staan tal van publicaties, waaronder enkele bijbelse dagboeken en een kinderbijbel, en liedteksten. Zijn liederen werden gepubliceerd in onder meer zijn eigen liedbundels Zingende gezegend, Adem van Boven en Voorzichtig licht. Daarnaast vonden zijn liederen hun weg via onder andere de Evangelische Liedbundel, Zingend Geloven, Tussentijds, het Liedboek (2013), Hemelhoog en Weerklank. In 1998 promoveerde hij op het proefschrift Dichter bij het geheim. Leven en werk van Willem Barnard/Guillaume van der Graft.

Wanneer en waarom begon u met het schrijven van liederen?

Dat begon al toen ik op het gymnasium zat. Vooropgesteld: de liefde voor het Woord en de woorden was me van huis uit meegegeven. Mijn vader schreef al gedichten en hij had het op zijn beurt van mijn oma. Zij had weliswaar niets met poëzie, maar zat met een grote Zuid-Hollandse witte kap met gouden krullen – ze kwam uit Numansdorp in de Hoekse Waard – elke dag gebogen achter haar oude Statenbijbel het Woord te lezen. Ik schreef gedichten  onder de schuilnaam Tom Roos. T om roos: troost. Ach ja, spelen met taal: leuk toch? Andere jongens speelden liever met hun voetbal; mijn liefde ging uit naar het woordspel. Sommige van mijn (onder schuilnaam ingezonden) teksten werden zelfs opgenomen in het schoolblad. Toen op het Christelijk Lyceum Delft onze docent Nederlands op een dag vertelde dat hij een lied zocht voor een paaswijding in de Delftse Sionskerk, passend bij een passage uit de brief aan de Filippenzen, bleek een door mij zogenaamd toevallig gevonden berijming van ene Tom Roos een schot in de roos. Prima bruikbaar voor samenzang, aldus mijn docent. En zo is het allemaal begonnen…

Rond die tijd was de nieuwe psalmberijming net uit, dat boeide mij wel. Jan Wit kwam een keer bij ons op school spreken over deze psalmberijming. Dat zei de meeste leerlingen niet zoveel, maar een blinde dichter, dat was natuurlijk een fenomeen. Ik vond meer dingen interessant dan alleen het feit dat hij blind was. Een nieuwe berijming, terwijl ik mijn leven lang, hoe kort dat dan nog was, ‘’t Hijgend hert’ had gezongen! Van deze nieuwe berijming was in de Gereformeerde Bond natuurlijk geen sprake. Van het zingen van gezangen ook niet. Ik weet nog dat ik als bestuurslid van de jeugdvereniging, samen met mijn vrouw, die ook in dat bestuur zat, een poging gedaan heb om op een jaarvergadering het lied ‘Heugelijke tijding, bron van hartverblijding’ te zingen. Daar kwam niets van in, dat was geen psalm en mocht niet gezongen worden. Nu staan er in de bundel Weerklank zeventig liederen die door mij zijn geschreven en nu in Gereformeerde-Bondsgemeenten worden gezongen. Dat vind ik persoonlijk wel aardig.

Nu ik dit allemaal vertel, moet ik ook weer denken aan die Bondsdag van de HJGB, de Hervormd-Gereformeerde Jeugdbond in De Doelen in Rotterdam, op Hemelvaartsdag in 1973. Ik was nog maar een blauwe maandag dominee. Prof. dr. C. Graafland had een lezing gehouden en ook daar was een van mijn liederen gezongen. Intussen had ik mijn schuilnaam laten schieten. Zoiets is leuk en aardig, maar je houdt het toch niet vol. In de pauze kwam Graafland naar me toe. ‘Die liederen van jou, André, lijken wel psalmen. Dank je wel!’ Mooier compliment kon ik me niet voorstellen… Zulke ervaringen zijn natuurlijk geweldig stimulerend. Toch heb ik het gevoel dat ik zonder dit soort aanmoedigingen ook wel door was gegaan. Het zit blijkbaar in je, het is een innerlijke drijfveer. Psychologen kunnen er ongetwijfeld chocola van maken, maar ik houd het vooral op een cadeautje van Boven.

Als u een lied schrijft en een bepaalde melodie in uw hoofd hebt, zijn er dan dingen waar u speciaal op let?

Zeker. Ik zie het dan als een uitdaging de tekst zo te schrijven dat de accenten in de tekst optimaal accorderen met die van de melodie. In de praktijk blijkt zo’n lied daardoor goed zingbaar te zijn en niet geblokkeerd te worden door vreemde botsingen van tekst en toon. Zelf erger ik me altijd weer aan dat soort botsingen. Een muzikaal accent op een lettergreep die absoluut geen bijzondere aandacht verdient… Brr! Dat kan een keer gebeuren, maar als dat aan de lopende band het geval is, houd ik het voor gezien. De Allerhoogste verdient beter. Ik weet wel: voor God telt ook het slechtste prutswerk volledig mee, als het met liefde voor Hem werd gemaakt, maar dat ontslaat ons niet van de dure plicht er het mooist mogelijke van te maken.

Stel: u hebt een nieuwe tekst geschreven waar u een eigen, nieuwe melodie bij wilt. Hoe gaat u dan te werk?

Dat is heel divers. Overigens, meestal komt er wel een bestaande melodie op de een of andere manier ‘aangewaaid’. Je loopt rond met een bepaalde wijs in je hoofd. Die wil er niet uit, die schreeuwt om een alternatieve tekst. Maar wat jij bedoelt komt zeker ook voor. Indertijd, toen ik nog dienstdoend predikant was, hebben tal van plaatselijke organisten op mijn verzoek of op eigen initiatief melodieën bij mijn teksten gemaakt. Zoals gezegd, vaker gaat het andersom: dan is er eerst de melodie en wordt daaruit de tekst geboren. Spontaan moet ik nu denken aan mijn Amsterdamse jaren. Op een dag belde Willem Vogel me op. Met zijn fraaie Mokumse accent sprak hij me vriendelijk toe: ‘Zeg, André, ik heb op zolder nog een mooi wijsje gevonden. Ik heb dat ooit eens gemaakt, maar er blijkbaar nooit iets mee gedaan. Dat is jammer, al zeg ik het zelf, want ik vind het eigenlijk wel een mooie melodie. Nu is mijn vraag: zou jij daar niet eens een aardige tekst bij willen schrijven?’ Om een lang verhaal kort te houden: zo is het lied 648 in het Liedboek – zingen en bidden in huis en kerk ontstaan: ‘Zing halleluja, hemel en aarde, zing.’ Vogel had gelijk: het is een prachtige melodie!

Het aantal publicaties en liederen dat u op uw naam hebt staan, is duizelingwekkend. Hoe ziet uw werkdag eruit?

Nou ja, duizelingwekkend… Me dunkt: het valt goed te overzien! Maar om je vraag te beantwoorden, mijn dagprogram is uiterst eenvoudig: uitslapen tot een uur of zes, langzaam op gang komen, achter m’n bureau zitten, koffie drinken met mijn vrouw, tussen de middag een wandeling (ik ben met vier minuten gaans op de Groevenbeekse hei, een dagelijkse bron van blijdschap!), een broodje halen en samen gezellig opeten – en zo kan ik nog wel even doorgaan. Kortom: burgerlijker kan het niet. Vroeger, voor mijn emeritaat, was het anders. Dan werkte ik ’s morgens aan de voorbereiding van een kerkdienst, ging ik ’s middags op huis- en ziekenbezoek en gaf ik ’s avonds catechisatie of leiding aan een bijbelkring, een leerhuis of een kerkenraadsvergadering: het ordentelijke handwerk van een fulltime dominee. Men zegt dat ik tamelijk gestructureerd en gedisciplineerd kan werken. Ik geloof wel dat dat klopt. Wellicht verlies ik daardoor weinig tijd. Overigens, laat niemand er jaloers op zijn. Het is alleen maar een dappere poging om de chaos in mijn hoofd te bedwingen. Het schrijven van poëzie en proza is namelijk ook een middel om mezelf tot rust te brengen. Het wikken en wegen van woorden, het schaven aan teksten – heerlijk.

U bent gepromoveerd op het werk van Willem Barnard/Guillaume van der Graft. Zijn ook zijn liederen voor u een voorbeeld geweest?

Zeker! Dat wil zeggen, aanvankelijk niet. Ik was qua komaf een (vriendelijk kritische) hervormde jongen van de Gereformeerde Bond en had niet zoveel met dat speelse taalveld van Barnard. Ik hield veel meer van de piëtistische toon van Ad den Besten. Hij heeft me, ook persoonlijk, geweldig gestimuleerd.  Mijn liefde voor hem en zijn werk ben ik nooit verloren, maar tegelijkertijd heb ik gaandeweg steeds meer connectie gekregen met dat speels-poëtische karakter van Willems verzen. Nu heb ik het gevoel dat ik ergens tussen die twee in zit, tussen de ‘hemelse’ toon van Ad den Besten en de ‘aardse’ van Willem Barnard. Ad en Willem, ze hebben me beiden zeer geïnspireerd en met dankbaarheid denk ik terug aan de waardevolle, leerzame en vriendschappelijke gesprekken die ik indertijd met beiden had.

Willem Barnard had weinig op met de term dominee-dichter. Hoe kijkt u daar voor uzelf tegenaan?

Ja, dat klopt, Willem vond dat vreselijk. Ik heb er zelf niet zo’n probleem mee, al  vind ook ik die uitdrukking niet erg gelukkig. Je hoort het nogal eens, omdat het zo leuk allitereert: dominee-dichter. De term boekhouder-dichter neemt niemand in de mond en over een docent-dichter hoor je ook niemand. Toch is ook in dat laatste geval de alliteratie niet onaardig. Dat doet vermoeden dat Barnard een punt had: hij was doodsbenauwd dat dichters de dominee zouden uithangen en rijmend zouden gaan preken. En ik geef toe: dat gevaar ligt gigantisch groot op de loer. Het ligt voor de hand, al liedteksten schrijvend kun je gemakkelijk een geestelijk ei kwijt. Je kunt je preek op rijm herschrijven. Maar daar is het fenomeen kerklied nooit voor bedoeld. Daar is poëzie niet voor in de wieg gelegd. Het lied binnen de kring van hen die God loven, moet niet prekerig zijn, maar klinken, zingen, spreken op verhoogde toon. Het gaat om woorden die hoger reiken of juist nog dieper gaan dan wat je in proza verwoorden kunt.

Wat maakt een lied geschikt voor de liturgie?

Boeiende vraag! Laat ik allereerst inhaken bij het voorafgaande. Een lied is in elk geval niet geschikt voor de liturgie als het preekt. Vervolgens: als het hopeloos clichématig is. Ik bedoel dit: dat ons lot rijmt op God, dat weten we nu zo langzamerhand wel. En dat je na het woord Heer op je klompen kunt aanvoelen dat in een volgende regel het woord eer het laatste woord is, dat weet iedereen die regelmatig luistert naar zangprogramma’s op radio en televisie. Voor de liturgie heb je mijns inziens vooral teksten nodig die balanceren tussen Kyrie en Gloria. In veel liederen uit de evangelische hoek van de kerk is het naar mijn smaak op het eenzijdige af bijna alles Gloria wat de klok slaat. Halleluja, loof de Heer, prijs zijn Naam, ere zij God! Ik begrijp dat wel: het is naar mijn smaak nog altijd, bewust of onbewust, een tegengeluid. Het is aversie tegen de sombere muziek van de aloude psalmen, met golfgeklots en klokgelui en dan ook nog eens op hele noten. We willen dat Kyrie niet meer horen, dat klaaglied. We zijn die diepte van de ellende zat! Maar je zult nooit de hoogte van het Gloria kunnen bereiken als je geen besef hebt van de diepte van het Kyrie. Ik wil er voor pleiten dat die twee oerbijbelse en oerkatholieke facetten van de liturgie volop aan bod komen in de eredienst: klacht én lofprijzing, gejammer én gejubel. En waarom? Omdat het leven zelf daar vol van is, ook het leven van een christenmens. Kommer en kwel zijn daarin aan de orde, maar ook vreugde en vrede. Zodra in het kerklied een van deze beide facetten wordt verdonkeremaand of sterk wordt onderbedeeld, ontspoort er in de liturgie iets wezenlijks.

U bent een hartstochtelijk pleitbezorger van de psalmen?

Dat ben ik zeker. Immers heb je alleen al in het Psalter een indrukwekkende afwisseling van die twee verschillende toonsoorten, inclusief allerhande variaties daartussenin. Dat ik ook graag andere liederen dan psalmen zing, heeft vooral te maken met de behoefte ook in het kerklied de stem van Jezus te horen. Niet voor niets noemen we ook Hem, met Tomas, onze God! Je kunt natuurlijk wel met enig bravoure zeggen dat zijn stem al in de psalmen klinkt, maar dat is mij toch te mager. Met datzelfde argument kun je ook bepleiten de zondagse schriftlezing te beperken tot het Oude Testament. Als je werkelijk recht wilt doen aan het reformatorische principe dat heel de Schrift aan bod dient te komen, zul je vanzelfsprekend ook ruimte geven aan liederen die geënt zijn op het Nieuwe Testament. Ik heb wel eens (al te parmantig, sorry!) gezegd: wie alleen maar psalmen zingt, is vrijzinnig. Ja toch? Die weet het beter dan de Heilige Schrift.

Ondertussen zijn er steeds meer orthodoxe gemeenten die nu gezangen gaan zingen. Mag ik raden waarom? Om leegloop richting evangelische gemeenten te voorkomen. Men grijpt dan vaak, mede dankzij het fenomeen beamer, over de klassieke gezangen heen naar bundels als Opwekking. Het gevolg: gemeenten zonder vlees of vis. Want laten we eerlijk zijn: met liederen zoals die te vinden zijn in de bundel Opwekking sta je pardoes in een volstrekt andere wereld, geestelijk gesproken.

Een andere wereld?

Ja, dat meen ik. Het gaat in beide werelden natuurlijk over hetzelfde evangelie, dat wel. Maar echt thuis voel ik mij, eerlijk gezegd, alleen in een ‘wereld’ waarin naast uitingen van blijdschap en geloof ook ruimte is voor uitingen van wanhoop, terneergeslagenheid en twijfel. Als ik zou moeten kiezen tussen, bijvoorbeeld, de bundel Opwekking en de psalmen, koos ik daarom zonder enig nadenken voor die laatste optie.

U noemde het verschijnsel beamer. Bent u er gelukkig mee?

In hartje Amsterdam, waar ik zeven jaar werkte, zouden ze zeggen: ‘Breek me de bek niet open!’ Ik zie de voordelen natuurlijk wel, maar struikel telkens over de nadelen. Hoe vaak heb ik nu al meegemaakt dat die dingen happeren… Diverse malen heb ik, een liedboek in de hand, solo staan zingen, omdat de beamerbediener of hoe zo iemand mag heten, vergat de ‘bladzijde’ om te slaan, terwijl de organist dat niet bemerkte! Zo’n gemeente weet dan echt niet hoe dat lied verder gaat en zwijgt in alle talen.

Visueel vind ik het ook ondingen. Die beamers zelf worden vaak opgesteld in complete stuurhutten, waarvoor enkele rijen stoelen of banken moeten wijken. Niet zo fraai. Maar nog veel minder fraai vind ik al die schermen! Enorme beddenlakens, frontaal in het liturgische centrum. Brr… Heeft jaren geleden zo’n college van kerkrentmeesters plus architect diep nagedacht over een verantwoorde vormgeving van het te renoveren kerkinterieur, komt me daar zo’n stel techneuten met een laken van hier tot Tokyo! Tragisch vind ik het. Diep tragisch.

Het grootste nadeel vind ik dat in veel kerken nog niet is doorgedrongen hoe verarmend die praktijk met een beamer is: je onthoudt de gemeente de melodieën! Zeker, soms tovert men ook de melodie op het scherm, maar ik maak nog veel te vaak mee dat er alleen kale tekst wordt geprojecteerd, met alle nadelige gevolgen voor de samenzang van dien.

Dus, leve het papier!

Inderdaad, terug naar vroeger! Veel was toen beslist niet beter, maar dit wel. Eén liedboek, oud of nieuw, waar alles in staat, tekst en zangwijs. Wil je dan eens iets anders zingen, bijvoorbeeld in een doop- of jeugddienst, zet dan alles op een papiertje en klaar ben je.

Zijn er verschillen tussen de liederen voor ‘huis’ of ‘kerk’?

Ik zou niet weten welke verschillen ik zou moeten signaleren. Een goed lied voor thuis is ook goed voor het huis dat kerk heet en een goed lied voor de kerk kun je ook prima thuis zingen. Populaire liedjes vind ik vreselijk, ook al gaan ze nog zo vroom over God en Jezus. Die zing ik echt niet mee, thuis niet en ook niet in de kerk. Diezelfde moeite heb ik met populaire deuntjes, die weliswaar goed in het gehoor liggen, maar mij persoonlijk alleen maar verhinderen om – laat ik het eens bijbels formuleren – met Jezus op de berg te zijn, in eerbied voor Gods lichtend aangezicht.

Toch zie ik natuurlijk wel in dat met name jongeren, die dag in dag uit in een behoorlijk anders klinkende cultuur doorbrengen, qua geestelijk lied ook wel eens uit een ander vaatje willen tappen. Dat je daar in de zondagse dienst een plekje voor wilt inruimen, kan ik goed begrijpen. Maar dat moet dan weer niet dusdanig zijn dat de goegemeente zich verdwaasd afvraagt in welke pinkstergemeente men nu eigenlijk is terechtgekomen. Dat werkt alleen maar vervreemdend en kerkverschuiving in de hand. Kerkverschuiving, ja – maar in al te veel gevallen ook kerkverlating. ‘Als het die kant op moet, hoeft het voor mij helemaal niet meer…’ Die kant moet het zeker niet op!

Ontstaat een lied omdat er een praktische behoefte aan is, bijvoorbeeld omdat er nog geen lied bij een bepaalde bijbelpassage is, of om een andere reden?

Om allerlei, zeer uiteenlopende redenen. Ik schreef inderdaad nogal eens een lied op verzoek, omdat er geen passende berijming voorhanden bleek te zijn. Wat mij betreft is het zo begonnen, zoals ik al vertelde in mijn verhaal over de paaswijding op het lyceum dat ik bezocht. Maar in mijn geval ontstaan de meeste liedteksten helemaal niet omdat er een praktische behoefte aan is, tenminste, niet dat ik weet. Ze komen vooral voort vanuit een praktische behoefte in mijn eigen ziel! Er zit je iets hoog, een lach of een traan, iets van het aloude Kyrie of juist iets van het aloude Gloria, iets dat er hoognodig uit moet, en dan komt het gewoon, als een baby uit de moederschoot. Soms midden op de dag, soms midden in de nacht. Je schrijft en je schrijft, je schrapt en je schaaft – en dan, na dagen van beproeven en proberen, zingenderwijs achter de klavieren in de huiskamer of neuriënd op de fiets door de bossen, komt daar dat moment dat je zegt: nu is het af, zo geef ik het uit handen.

In uw liederen komen termen als liefde, licht, vuur en vlam veelvuldig voor. Is dat bewust of onbewust gedaan?

Ik doe het in elk geval steeds bewuster. Begrijp me goed: ik wens dat oerwoord God absoluut niet te laten vallen. Dat woord is nog altijd een waardevol, universeel codewoord voor alles wat boven ons bereik gaat. Maar het heeft een groot nadeel: het is in de loop der eeuwen overladen met tal van connotaties die weinig of niets te maken hebben met de God die de Vader is van onze Heer Jezus Christus. En om die reden kies ik er inderdaad vaak voor in wat meer poëtische termen te spreken. Dan komen woorden als liefde en licht, vuur en vlam al snel voor de dag. God is liefde, God is licht, zijn Geest zet ons in vuur en vlam – dat blijven toch schitterende metaforen voor wat een geheimenis is en altijd een geheimenis zal blijven?

U bewerkte ‘Daar is uit ’s werelds duist’re wolken’ van Nicolaas Beets voor het Liedboek (2013). Ook hij was een man van de letteren. Voelt u zich met hem verwant?

Niet of nauwelijks. Neem nu het genoemde lied, ‘Daar is uit ’s werelds duist’re wolken’. Dat is een herinnering aan een prachtige tekst uit het boek Jesaja. Maar Beets heeft er wel behoorlijk wat omheen gefantaseerd! Niet te zuinig! Het is maar de vraag of Jesaja er zijn eigen tekst nog in zou herkennen. Geen wonder dat de liedboekredactie mij jaren geleden vroeg een andere tekst te schrijven, met behoud van de eerste, overbekende regel. Die eerste regel heb ik inderdaad gelaten zoals die was, afgezien van het eerste woord, dat ‘er’ is geworden in plaats van ‘daar’. Ik heb een poging gedaan de tekst zo dicht mogelijk aan te sluiten op de woorden van Jesaja 9. Oordeel zelf maar of het lied er wezen mag: lied 482 in het Liedboek.

In een aantal van uw liederen, met name lied 635 in het Liedboek, nemen vogels een prominente plaats in. Bent u een vogelliefhebber?

Er zijn zelfs liederen van mij met nog veel  meer vogelnamen. Ongetwijfeld heeft dat te maken met het gegeven dat wij destijds in de Ermelose vogelbuurt terecht kwamen, afgezien van het feit dat ik vogels in het algemeen leuk vind. Dat musje is ons toen dierbaar geworden, omdat we tot de ontdekking kwamen dat tussen alle mogelijke vogelnamen, hier in Ermelo-West, nergens een straat naar de mus vernoemd is. Het musje was te gewoontjes, natuurlijk. Maar daar is nu de kerk voor, voor de musjes, voor de minsten van de mensen. Bovendien is het treffend dat in het kerkzegel van de Hervormde Gemeente Ermelo wordt verwezen naar de mus, want daarin staat psalm 84 centraal. ‘Zelfs vindt de mus een huis, o Heer’. Bij wijze van plaagstootjes heb ik dus steeds dat musje laten fladderen in mijn teksten en preken, en de andere vogels daarin meegenomen.

Een aangrijpend lied is 957 in het Liedboek, ‘Zieke vogel, vleugellam’, over het overlijden van een kind. U hebt zelf ook een kind verloren. Heeft dit uw liederen, naast het genoemde lied, beïnvloed? En wellicht ook uw theologie?

Ja, dat lied is voor mij inderdaad heel bijzonder. Ik heb het oorspronkelijk geschreven toen een buurjongetje in mijn eerste, Brabantse, gemeente aan de pastorie aanbelde om ‘dommenie’ te laten zien wat hij in zijn kleine knuisten hield: een ziek vogeltje, uit het nest gevallen. Hij zou er goed voor zorgen en mij melden wanneer het weer gezond en wel weggevlogen was. Enkele dagen later kwam hij mij blijmoedig rapporteren dat zijn missie geslaagd was. Ik vond het zo ontroerend, dat ik er een liedje over schreef. Jaren later, toen onze Hanneke, vijf jaar jong, aan kanker bezweken was, heb ik dat versje enigszins herschreven. En tot mijn stille verwondering ontdekte ik bij de verschijning van het Liedboek – zingen en bidden in huis en kerk dat het daarin is opgenomen, in die laatste versie.

En heeft die ervaring inderdaad uw theologie beïnvloed?

Oei, dat is een lastige. Het verhaal dat ik nu zou willen vertellen, is te lang voor dit gesprek, vrees ik. Ik heb dat tamelijk uitvoerig gedaan in mijn boek Het kruislabyrint. Een zoektocht naar God, eind 2017 verschenen. Maar vooruit, op het gevaar af al te kort door de bocht te gaan, wil ik er wel een paar dingen over zeggen. Globaal is mijn reactie: ja, ik denk wel dat het mij beïnvloed heeft. Maar niet alleen die ene ervaring. Evenzo soortgelijke belevenissen met lieve mensen in mijn omgeving, familieleden, vrienden, gemeenteleden. Ik ben niet de enige die bij tijd en wijle door een diep dal heen moet. En wat denk je van de enorme kloof waar de mensheid doorheen trekt? Als je alleen al de tientallen documentaires over de Holocaust op de televisie bekijkt… Wat moet ik dan met een goede, hemelse Vader, die ook nog eens almachtig is? Enfin, de bekende vraag naar het wereldleed.

Die vraag beantwoordt u nu anders dan voorheen?

Voorheen placht ik die vraag eigenlijk helemaal niet te beantwoorden. Ik legde liever met Job de hand op mijn mond. Maar door de jaren heen kwam ik tot de ontdekking dat dit ook niet erg bevredigend is. Het lukt me gewoonweg niet om een leven lang te blijven zeggen dat ik het ook niet weet. Ik kies de laatste tijd steeds vaker voor de route die ik Paulus zie gaan in zijn brief aan de Romeinen. Hij gaat daarbij in het spoor van de rabbijnen die al eerder dan hij spraken van Messiaanse barensweeën. Uit die andere, voor ons onzichtbare, dimensie die we de hemel noemen, wordt na een zware periode van moeite en pijn hier op aarde, iets nieuws geboren: een nieuwe hemel, een nieuwe aarde. Ik geef grif toe dat dit antwoord ook niet alle vragen oplost, helemaal niet, maar er zit wel een herkenbare en vertroostende gedachte in. Die helpt mij in elk geval om het vol te houden. God lijdt met ons mee. God strijdt met ons mee. En wij worden geroepen met Hem mee te vechten. We zijn geroepen om het met Hem vol te houden, door zijn kant te kiezen in die kosmische strijd die gaande is tegen de macht van het kwaad. Het duurt lang, die strijd dateert al uit de dagen, jaren of eeuwen van de schepping. Wat zeg ik: die strijd is de schepping, het terugdringen van ontelbare vormen van oergeweld. Maar houd moed: de dageraad lacht!

Onwillekeurig lach ik nu ook zelf, want dat laatste woord, lacht, doet me denken aan Ad den Besten. Ik had in een liedtekst geschreven: ‘de dageraad wacht’. Toen zei Ad, in een van onze gesprekken: ‘Waarom zou je van de w geen l maken?’ Met een lach en een traan hebben we dat ter plekke gedaan: de dageraad lacht!

U die met sneeuw de aarde kleedt

U die met sneeuw de aarde kleedt,
wit ogen alle bomen,
maar o die angst, mijn hartenkreet
in nachtenlange dromen:
zal als de winter overwint
mijn klein geloof bevriezen
en alle hoop verliezen?

U die de strijd kent die ik streed,
U wast en zalft mijn wonden,
geen dwaalweg waar U niet van weet,
de boeien die mij bonden –
wat zwart was en de dood nabij
wordt wit, mijn ziel genezen.
De hemel zij geprezen!

U die mij als een bruid bekleedt,
nog witter, na het snoeien
in bloesemtooi – geleden leed,
oud zeer doet voller bloeien.
De winter: schoot die voorjaar baart,
geen graf, geen dood te vrezen –
uw paaslicht is verrezen!

tekst: André F. Troost

melodie: Waldemar Åhlén (Sommarpsalm)

 

 

 

Hoe ‘Het kruislabyrint’ geboren werd

‘Zou je iets willen prijsgeven over de ontstaansgeschiedenis van je boek Het kruislabyrint. Een zoektocht naar God?’
       Mijn eerste reactie was, eerlijk gezegd: Alsjeblieft niet! Heb je na jaren en jaren eindelijk een punt gezet en de zaak in handen gegeven van corrector en uitgever, zul je weer moeten gaan schrijven omdat er wellicht mensen zijn die willen weten hoe je ertoe gekomen bent dit boek te maken… Laat nu de recensenten hun werk maar doen! 

Ergernis

Eigenlijk had ik zo moeten reageren, maar dat lukte niet. Ik begon de vraag zelfs interessant te vinden. Hoe komt een mens ertoe een boek te schrijven dat tamelijk veel overhoophaalt en misschien meer ergernis dan instemming zal oproepen? Een stemmetje in me fluisterde al lang geleden: laat het nu toch bij al die redelijk tot goed gewaardeerde meditatieve boekjes die je in de loop der jaren welgemeend en blijmoedig het licht liet zien. Bijbelse dagboeken, liedbundels, bijbelstudies… Waarom nu nog een boek dat wellicht ergernis opwekt en op ruwe wijze slapende zielen wakker schudt in een land vol profetische en evangelische dromen?

Zingen

Ik had dit alles nog niet bedacht of er borrelde een zinnetje in me op dat ik maar snel heb genoteerd. Toch niet weer een dichtregel, een aanzet voor een nieuw lied? Daar zijn er nu toch zo langzamerhand ook wel genoeg van…
Het bleek een korte samenvatting te zijn van alles wat ik ten diepste zou willen zeggen als antwoord op de vraag waarom ik het boek Het kruislabyrint schreef. Het is de zin waarmee ik straks ook mijn verhaal besluit. Een gebed.

Ontneem mij niet
het dwaze lied
dat zeggen kan
wat niet is uit te leggen.

Wat ik daarmee bedoel? Kort door de bocht het volgende. De Bijbel is geen wetenschappelijk boek vol religieuze feiten. De Bijbel is een eeuwenlang lied.
Goed te bevatten is dat lied niet. Het is een dwaas lied. Het zit vol woorden en zinnen die niet goed op elkaar rijmen. Hier en daar kloppen allerlei dingen niet. Elke wetenschapper kan daar keurig een heel betoog op loslaten. Maar dat dwaze lied dat Bijbel heet is en blijft wel een lied dat uitlegt wat ik niet uit kan leggen. Het bezingt de ongekende, majesteitelijke Geestkracht die wij in allerlei variaties en in talloze religies God noemen. En het bezingt de mens zoals God ons heeft bedoeld, in goddelijke glans geopenbaard in Jezus de Mensenzoon.
Dat dwaze lied wordt ons momenteel met bruut geweld ontnomen, met name hier, in Europa. Dat hebben wij verdiend. Wij hebben eeuwenlang geweigerd naar de Bijbel te luisteren zoals wij ophoren van een lied. Wij hebben evenmin begrepen dat het een dwaas lied wilde zijn, een lied waarin allerlei woorden niet op elkaar behoefden te rijmen omdat nu eenmaal niemand in staat is te laten rijmen wat niet te rijmen is.
Wij zijn van lieverlee de Bijbel gaan haten omdat dat boek niet klopt. En dat boek klopt niet omdat je de Bijbel nu eenmaal niet kloppend kunt krijgen. Proza kan kloppen. Poëzie klopt nooit.
Wij zijn de kerk gaan haten, omdat de kerk geen pasklare antwoorden verkoopt. Dat probeert de kerk overigens nog wel: zo hier en daar zijn er nog wel reformatorische of evangelische bijbelgordels die heel strak worden aangetrokken, maar het levert weinig anders op dan striemen en veel pijn.
Om dit alles is mijn gebed, gericht tot de Allerhoogste, maar vooral aan theologen: ontneem mij niet het dwaze lied dat zeggen kan wat niet is uit te leggen.

Rode draad

Eerst nu maar even kort de inhoud van mijn boek.
        Het kruislabyrint is een zoektocht naar God. Het is geschreven binnen het kader van een uiterst eenvoudige verhaallijn: Max Thomassen, dominee te Duindal, bereidt zich voor op het naderende afscheid van zijn kleine gemeente aan de kust. Afscheidsbezoeken, maar ook vergeelde paperassen laten oude en recente discussies over tal van theologische thema’s herleven. Daarbij gaat het er af en toe heftig aan toe.
Als een rode draad loopt door al die gesprekken de vraag in hoeverre Jezus werkelijk God kan zijn. Vooral de ontmoeting met een oude joodse kennis uit Amsterdam brengt de bijna emeritus tot een genuanceerde visie op de klassieke leer van de Drie-eenheid: terecht mag Jezus ‘God’ heten, maar dat wil nog niet zeggen dat Hij volkomen gelijk is aan God de Vader. Eén in wezen? Dat valt te bezien.

Terrorisme

Nu zijn er over deze kwestie al boekenkasten vol geschreven. Is het werkelijk de moeite waard daar nog iets aan toe te voegen?
Mij dunkt: ja! In het licht van de Holocaust én oog in oog met de Islamitische Staat kan het niet genoeg gezegd worden: de kerk heeft zowel jodendom als islam van zich vervreemd, door in de loop der eeuwen enerzijds de eenheid tussen de Vader en de Zoon zo krachtig mogelijk te benadrukken en anderzijds het verschil tussen beiden flink te verdoezelen.
Valt er dan op dit terrein nog iets te winnen? Zeker wel. Een andere visie op Jezus zou mijns inziens het gesprek van de drie monotheïstische godsdiensten onderling ten goede kunnen komen en wellicht zelfs een bescheiden bijdrage kunnen leveren aan de beteugeling van steeds sterker om zich heen slaand religieus terrorisme.
‘Maar je bent toch niet zo onnozel dat je denkt door het schrijven van een min of meer theologisch boekje de wereldvrede te kunnen bewerken? Dat zou toch echt aan hoogmoedswaanzin grenzen!’
Nee, zo onnozel ben ik niet. Toch geloof ik dat we hier te maken hebben met een thema dat wereldwijd een niet te onderschatten politieke impact heeft. Tussen joden, christenen en moslims bestaat al eeuwen een aversie die mede gevoed wordt door theologische verschillen. Slechts areligieuze struisvogels houden hier geen rekening mee.

Profeet

Aan dit theologische front is een belangrijke kernvraag: in hoeverre is Jezus God?
Voor joden en moslims is het antwoord zonneklaar. Niet dus. Op z’n best zou je Jezus een profeet kunnen noemen, maar zodra christenen beweren dat Jezus God is, dienen zij zich met hun gedachtegoed richting de kliko met ketterijen te begeven.
Naar diezelfde kliko werden echter juist jodendom en islam verwezen door de geestelijke voormannen die het in mijn jeugd volgens mijn lieve ouders konden weten. Het was allemaal anders, totaal anders. Jezus was God in het menselijk vlees. Hij was God zelf, ten volle, maar dan tijdelijk, voor een jaar of wat vrijwillig opgesloten binnen de grens van een mens, hier op aarde.
Zo ongeveer werd het mij meegedeeld, thuis, op school en zondagschool, op catechisatie en in de kerk. Om die reden werden jodendom en islam finaal afgeserveerd. In die kringen had men immers een visie op Jezus die bepaald niet veel kans garandeerde op de eeuwige zaligheid. Sterker nog: men moest maar rekenen op een enkeltje eeuwige duisternis.
Die Turkse gastarbeiders die langzaam maar zeker onze Haagse stadswijk veroverden en overduidelijk met een beroep op Mohammed hun Allah verkozen boven de God van Jezus, die hadden natuurlijk al helemaal geen recht van spreken. De islam? Pure ketterij! Dat die uilskuikens toch niet geloofden dat Jezus God zelf was!
Maar de joden waren niet veel beter. O zeker, ik mocht als jongen best op mijn fietsje op zaterdagmorgen de stad in om naar een dienst in de sjoel te gaan. Daar zat ik dan, ten midden van een stuk of wat gekeppelde broeders, gebogen over hun rollen met bijbelboeken. Begrijpen deed ik het niet of nauwelijks, maar ik merkte wel dat het hun ernst was.
Op zondag, in eigen kerkelijke kring, gingen alle hervormde hoeden en petten van de mannen af: diep respect voor het uitverkoren volk Israël! Maar dat zij nu toch niet Jezus als de Messias aanvaardden – hoe verblind kon een mens zijn!
En zo kreeg ik te verstaan dat je toch eigenlijk wel protestants-christelijk en dan van het orthodoxe soort moest zijn, wilde je enige kans maken op de eeuwige zaligheid. Ook de roomsen in hun Gerardus Majellakerk aan de Noordpolderkade vielen daar buiten.

Beperkt

Al snel was ik door aandachtig de Bijbel te lezen bevrijd van dit soort kokergeloof. Wie oog in oog met de liefde van Christus komt te staan, is binnen de kortste keren bevrijd van dit soort enge waangedachten.
Dat een en ander niet zo rechtlijnig was als ik te verstaan kreeg in mijn jonge jaren, werd gaandeweg duidelijker. Van lieverlee kreeg ik zelfs de overtuiging dat er nogal wat valkuilen zaten in de weg van de orthodoxe dogmatiek. Inmiddels was ik al jaren predikant. Toen pas kreeg ik door dat allerlei interessante theologische kwesties niet waren verzonnen door voorzitters van jeugdverenigingen die behoefte hadden aan leuke gespreksvragen voor na de pauze, maar bloedserieuze vragen waren waarop zelfs de meest ernstige bijbelonderzoekers stuk dreigden te lopen. Leuke discussiepunten bleken in werkelijkheid huizenhoge blokkades te zijn op weg naar spirituele transparantie. Kruisen langs een kerkelijke lijdensweg.
De voornaamste crux was wat mij betreft, later in  mijn loopbaan, de ontdekking van de zogenaamde termijnteksten, de woorden van Jezus waarin Hij, aldus het evangelie, voorzegt dat de Mensenzoon binnen afzienbare tijd zal wederkomen. Sommigen van zijn leerlingen zullen het nog meemaken: voordat hun generatie verdwenen zal zijn, komt de Mensenzoon terug, geflankeerd door al zijn heilige engelen!
In mijn Dat koninkrijk van U vroeg ik aandacht voor die teksten. Maar ik las ze al te letterlijk, volgens deze en gene. Die teksten waren immers duidelijk als de dag: je moest alleen niet lezen wat er leek te staan.
Alle ingenieuze constructies qua exegese ten spijt (Jezus zou Golgota bedoelen of de ondergang van Jeruzalem), nog nooit hebben wij Hem teruggezien inclusief dat leger hemelse engelen. En intussen zijn er toch al zo’n twintig eeuwen verstreken…

Bovendien getuigt het evangelie zelf ervan dat Jezus niet alleen een beperkte visie had (niet de Zoon, alleen de Vader kent dag en uur), maar ook een beperkt mandaat. ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde’, jazeker. Maar was ‘alle macht’ niet iets te royaal? Een klein voorbeeld. Het was niet aan Hem om aan te wijzen wie de vicepremiers in zijn kabinet zouden zijn. Dat moesten de twee zonen van Zebedeüs maar rustig afwachten. God alleen zou dat bepalen. Jezus had die bevoegdheid niet. Hij zei het zelf.

Twijfel

Intussen woekerde de twijfel voort: hoe kan het toch bestaan dat het boek dat Bijbel heet en Woord van God, wereldwijd leidt tot de meest uiteenlopende visies op van alles en nog wat? Kan een beetje God er nu echt niet voor zorgen dat zijn mensen op aarde in korte tijd allemaal met hun neuzen dezelfde richting aanwijzen? En dan: dat Hij in de loop der tijden niet altijd overal à la minute ingreep, akkoord, maar na al die eeuwen wachten wordt het toch zo langzamerhand wel eens tijd, zou je denken.
Zulke vragen zijn goed (of juist heel slecht) voor verdergaande twijfels. Zouden dan toch de atheïsten gelijk hebben? Hadden auteurs als Maarten ’t Hart, Harry Kuitert en Klaas Hendrikse niet het grootste gelijk van de wereld? Geloven wij misschien wereldwijd wanhopig in een God die helemaal niet bestaat?
Goedbeschouwd stuk voor stuk vragen die je niet verwacht aan te treffen in het hoofd en het hart van een predikant die elke zondag op de preekstoel staat. Ik schrok er dan ook zelf behoorlijk van, al vele jaren geleden. Ik beschouwde mijzelf altijd als een milde, maar wel zeer overtuigde dienaar van het Woord. Hoe is het dan toch mogelijk dat er gaandeweg allerlei kritische vragen in je opborrelen?
Als ik rustig nadenk over die vraag, komt het volgende bij me boven. Allereerst is er de confrontatie met het wereldleed. Dat is toch niet te rijmen met het beeld dat je als kind van God meekreeg: dat van een goede, altijd voor je zorgende Vader? Je leest wat in de oorlog gebeurde, je ziet de beelden van de Holocaust, je bent getuige van de pijn die gemeenteleden moeten doorstaan, jaar in jaar uit, je staat aan het ziekbed en sterfbed van je eigen kind en bij dat van jonge kinderen van je beide broers. Blijf dan maar eens overeind met al je preken over Gods vaderlijke goedheid!

Duivels

De duivel bracht menigmaal uitkomst. Wat ben ik die dankbaar geweest! Zodra je niet meer kon begrijpen hoe God het een en ander toeliet, kon je jezelf en anderen attenderen op de stuiptrekkingen van de satan. Op zijn rekening was al die ellende bij te schrijven! Natuurlijk, wij deden er zelf aan mee, we hielpen hem meer dan goed was en dat was dan zonde, maar je behoefde in elk geval niet die arme, goede God de schuld te geven van alles wat misging.
Die gedachtegang werkt prima en is bovendien nog altijd met diverse bijbelteksten goed te onderbouwen. Totdat je komt bij de prangende vraag waarom die goede, vaderlijke God die duivel nu al zoveel eeuwen zijn gang laat gaan.
Schort God het laatste oordeel op? Heeft Hij geduld met zijn dwarse schepping? Een mooie gedachte, met dank aan Petrus. Maar is er na al die eeuwen nu nog geen reden om aan die pauze een eind te maken? Kom, Heer Jezus, kom!
En dan dreigt vervolgens de hele boel  te ontsporen. Dat wil zeggen, de ene kwestie rolt dan over de andere heen. Is die Bijbel (waarin bovendien ook nog allerlei onverklaarbare tegenstellingen blijken te staan) zo betrouwbaar als ik altijd heb gedacht?
Daar komt bij: als er een fractie waar is van wat gezegd wordt over de evolutie van hemel en aarde, wat blijft er dan over van mijn aloude en vertrouwde scheppingsgeloof?

Toneelspel

Van dit soort vragen is het nog maar één stapje naar de meest wezenlijke kwestie: bestaat God eigenlijk wel? Houden we ons als mensheid in diverse religies al niet eeuwenlang bezig met een Opperste Majesteit die hooguit een illusie is, een denkbeeld, een wensbeeld?

Als je afgedaald bent in de hel van dit soort vragen, is het eind letterlijk en figuurlijk zoek. Je blijft preken en schrijven, dat is je beroep en voor iets anders heb je nooit doorgeleerd, maar intussen knagen de wurmen van twijfel en ongeloof.
Is alles dan intussen onheilig toneelspel? Absoluut niet! Waarom niet? Omdat er meer dan voldoende teksten staan in de Bijbel waarin diezelfde vragen levensgroot aan de orde komen. Neem alleen al het boek van de Psalmen: hier en daar één grote klaagzang als het gaat over het Godsbestuur. Menigmaal heb ik gedacht: die David, die Asaf, die begrijpt me!

Angst

En collega’s dan?
Die zijn – de goede niet te na gesproken – bang. Geen wonder. Niemand raakt graag z’n baan kwijt. Elke dominee doet wat ikzelf ook heb gedaan: je vergadert munitie om er atheïsten mee dood te kunnen schieten. Dat lukt natuurlijk niet, maar je probeert het wel. En waarom probeer je dat? Ten diepste – ik spreek voor mezelf  – omdat je de schoonheid, de waarheid en de wijsheid van Bijbel en christelijk  geloof voor geen prijs kwijt wilt. Als ergens vreugde en vrede te vinden zijn, dan toch daar! Dus zet je alles op alles om wapentuig te zoeken tegen de listige omleidingen van de duivel. Of zijn het helemaal geen listige omleidingen van de duivel, maar agnosten en atheïsten die trefzeker allerlei spijkers op de kop slaan en de zwakke plekken van onze keurige theologietjes zonder al te veel moeite aan de kaak stellen?

Ik ben in de loop der jaren (je houdt het met man en macht tegen, dus er gaan jaren overheen…) tot de ontdekking gekomen dat wij als kerkmensen erg benepen zijn in het erkennen van de zwakke plekken in ons ‘verhaal’. Alles wat niet spoort met de klassieke theologie wordt ongenadig neergesabeld. Alles moet per se zijn en blijven zoals het in de loop der eeuwen is gezegd en geleerd. Dus is de aarde in zes dagen geschapen, de Bijbel van kaft tot kaft het Woord van God en de Drie-eenheid een feit, inclusief de godheid van Christus. Punt. Uitroepteken. Amen.

In Het kruislabyrint laat ik doorschemeren dat ik zó niet meer de Bijbel geloven kan. Er zit zelfs ook in die Bijbel veel meer aan menselijk denken, wikken en wegen, vragen en klagen, dan wij in orthodoxe kring waar willen hebben. Zeker, de Bijbel is aan God te danken. Maar de Bijbel is ook op en top een boek van oermenselijke mensen.

Wezenlijk

En Jezus? Na mijn boek Dat koninkrijk van U schreef ik een uitgebreide bijbelstudie onder de titel Engel naast God. In Het kruislabyrint val ik de gedachten die daarin naar voren komen, niet af. Ik blijf Jezus zien als de Bovenste, Beste Boodschapper die onze goede God aan de mensheid zond. Zoon van God! Onze Middelaar. Uniek!
Dat zullen jodendom en islam me niet nazeggen. Maar mijn instemming met hun bezwaar tegen wat menig christen gelooft, namelijk dat in Jezus niemand minder dan God de Allerhoogste zelf, zij het in een menselijk jasje, onder ons verscheen, dát bezwaar zal men kunnen begrijpen, hoop ik.
Ik wil maar zeggen: wat hebben wij het Israël (en ook de islam) door de eeuwen heen nodeloos moeilijk gemaakt juist op dit punt. Voor hoeveel wrevel en wraakzucht heeft dat niet gezorgd!
Een herinnering aan de verschrikkelijke uitspraken van Luther over de joden mag hier niet ontbreken. Ik pas ervoor om een directe lijn te trekken van Wittenberg en Eisenach naar Buchenwald, maar de afstand tussen deze plaatsen is nog altijd, letterlijk en figuurlijk, bijzonder klein. Liefde voor Israël en Jodenhaat wisselen al te gemakkelijk stuivertje. En waarom? Uit frustratie. In het geval van Luther was dat zo.
Lange tijd kreeg Arius meer waardering dan Athanasius. Toch werd uiteindelijk Arius tot ketter verklaard, Athanasius tot kerkvader. Terecht? God en Jezus wezenlijk gelijk? Vragenderwijs noteer ik in Het kruislabyrint enkele bedenkingen.
Dat alles doe ik (ik geef het ruiterlijk toe) niet al te diepgravend. Ik ben een schilder, een schetser, ik moet het hebben van vage, dunne lijntjes, hier en daar en hooguit een paar.

Evolutie

Wie kwaad wil, kan met mijn boek vele kanten op. Het zij zo. Ik weet alleen: het enige dat mij bewoog, was en is: de Bijbel zo goed mogelijk af te tasten, aloude tradities opnieuw te wegen in het licht van wat geschreven staat. Mocht ik mij hier en daar verschrikkelijk vergissen, dan kan ik alleen maar hopen op vergeving van God en mensen.
In dit alles wil ik de rol van een zekere evolutie niet onderschatten. Ik denk nu niet alleen aan onze goede Schepper, de Grote Geestkracht, die zich mijns inziens in zijn scheppend werk van een kosmische evolutie heeft bediend, maar ik denk ook aan het ontstaan van religies (inclusief de onze). Ik denk evenzo aan het ontstaan van de Bijbel. Zonder God, Bijbel en kerk zou ik niet willen leven, zingen en (s)preken, maar dan wel graag in de overtuiging dat wij ons wat betreft al die thema’s op de weg van een bepaalde evolutie bevinden. Wij kunnen maar een klein eindje overzien van wat er zich op een onvoorstelbaar lange lijn afspeelde en nog afspelen zal. Ons past bescheidenheid.

Tegenstem

Ik heb een poging gedaan in mijn boek Het kruislabyrint een tegenstem te laten klinken. Mij dunkt: er klinken stemmen volop. Stemmen van godvruchtige schrijvers die welgemeend en zeer oprecht eenvoudig herhalen wat de eeuwen door ons is gezegd over hemel en aarde. In tal van boeken heb ik ook zelf die stem laten klinken. Maar er zijn ook stemmen die daar tegenin gaan en soms met oorverdovend lawaai een geheel ander geluid laten horen. Waar zijn de stemmen van hen die beide koren serieus nemen? Waar zijn de stemmen van hen die begrijpen dat er ruimte dient te zijn voor aarzeling en twijfel, opstand en ongeloof? Waar zijn de stemmen van hen die zelf vertolken wat er leeft in eigen hart aan weerstand en onbegrip? Waar zijn de stemmen van hen die graag iets willen zeggen, maar eerst eens heel goed en zelfs welwillend hebben geluisterd naar wat vreemd en anders is, naar stemmen die totaal ongewenst worden verklaard en door menigeen al op voorhand worden betiteld als vals?
Vrienden maak je niet met vijandschap.

Afstand

Daar komt nog iets bij. Hoe argwanend je ook bent wat betreft de data die de evolutieleer en de nieuwste inzichten op het gebied van de kosmologie ons aanreiken, we ontkomen er niet aan: duizelingwekkend zijn de afstanden tussen sterren en planeten, gigantisch de aantallen lichtjaren en de mogelijke leeftijden van gesteenten en soorten, die van vissen en vogels. En ook wij, mensen op aarde, konden wel eens heel wat ouder zijn dan de Bijbel suggereert. Mijn religie echter komt net kijken. Dat te beseffen maakt mij klein. Dat te beseffen maakt God niet dood, maar extra groot.

Dimensies

Kortom: hoe beperkt zijn wij in ons kennen! Dat denk ik meer en meer als het gaat over het ontstaan van hemel, aarde, kerk en Bijbel. Maar vooral als het gaat over de Ene, de God van alle goden. Wat Hem (is de Geestkracht een HIJ?) betreft, kan ik mij goed vinden in wat dr. Bert van Veluw schrijft in zijn boek Aan tafel! over de diverse dimensies waarmee wij van doen hebben. Hoe eenzijdig zijn wij in onze visie op hemel en aarde! Plat als een dubbeltje is menigmaal onze blik op het eeuwigheidsleven dat God ons zal geven.
Als een door mensenogen ongeziene en onzichtbare dimensie snijdt de wereld van het Godsrijk dwars door het platteland van ons bestaan op aarde heen. God is ver weg? Dat denk je maar! God is hier, dichtbij, altijd om mij heen, een dimensie niet met handen te tasten. Vanuit die dimensie wordt hier en nu, soms, even, een sluier opgelicht: iets van de hemel op aarde, een stem van Boven.
Is er geen woord over ginds dat niet van beneden komt? Zeker, mijnheer Kuitert, wij babbelen wat af over God en goddelijke zaken, maar zou het kunnen zijn dat de inspiratie waaruit die woorden geboren zijn, wel degelijk uit die andere dimensie komt? Nee, niet per se van Boven. Maar wel van Elders, bij God vandaan.

Kortom

Ontneem mij niet
het dwaze lied
dat zeggen kan
wat niet is uit te leggen.

Je kunt van de Bijbel zeggen wat je wilt. Goed en kwaad. Voor en tegen. Boek van God. Boek van mensen. Maar klein krijg je die oude verzameling van 66 geloofsgetuigenissen niet. Ze zingen samen een lied. Het rijmt niet altijd consequent. Er zitten haken en ogen aan. Het lijdt aan irritante omissies en dubieuze doublures. Het zij zo. Ik hoor een lied. Een dwaas lied, dat dwars door alle tegenstemmen heen zeggen kan wat niet valt uit te leggen.

God is groter dan ik ooit heb gedacht. Kleiner. Anders. Hoger. Lager. Verder weg. Dichterbij. Elders. Altijd om mij heen. Met vingers te tasten, maar ongrijpbaar: omsluierd, voor het menselijk oog als een kostbaar geheim verborgen.
En Jezus? Zijn lievelingsengel. Zijn ultieme woord aan de wereld. Zijn unieke Zoon. Gekroond met de titel die de Geestkracht zelf al eeuwig droeg: God. Jezus, onze Middelaar. Meer dan mens. Anders dan God. Hoe moet ik het zeggen? Ik weet het niet en daar heb ik nu eindelijk volop vrede mee.
De kerk heeft Israël onrecht aangedaan. Maar ook de islam. Al dat wederzijdse onbegrip: het is geen wonder! Het ene fundamentalisme roept het andere op…

Kortom: mijn boek is een geslaagde of mislukte poging mijzelf en anderen te behoeden voor twee diepe valkuilen: fundamentalisme en atheïsme. Beide dalen zijn in Duindal te vinden. Het ene dal is nog heillozer dan het andere…

Ik eindig. Ik heb misschien alweer te veel gezegd en geschreven. Hier is mijn boek, waaraan ik jarenlang, bij vlagen, werkte. Wetenschappelijk verantwoord? Voor geen stuiver! Hier en daar ietwat geromantiseerd? Dat zal waar zijn. Ik heb geprobeerd dicht bij huis te blijven. De Bijbel is een onwetenschappelijke roman. God is de Hoofdpersoon. Mijn weg. Mijn waarheid. Mijn leven.
En Jezus? Die lijkt sprekend op God. Sprekend – en zwijgend. Ik fluister, ik stamel, ik roep het met Tomas mee: mijn Heer! Mijn God!

 

 

 

André F. Troost (a.f.troost@kpnmail.nl)

Ermelo oktober 2017

Boos op de bijbel

Hij was boos. Boos op de Bijbel.
Ik kwam hem tegen op het internet.
Zijn naam? Stond niet vermeld. Alleen de aanduiding dat hij een ‘hoger opgeleide’ was.

‘Ik ben boos en vooral teleurgesteld. Die God die liefde is, die genade is en die rechtvaardig is, gaat zo met zijn mensen om. Ik heb het over Jozua 7.’
Voor de bijbelkenners valt direct het kwartje: Jozua 7, dat is het bijbelhoofdstuk waarin verteld wordt hoe Achan, die meegedaan heeft aan de verovering van de stad Jericho, het een en ander steelt uit de buit die aan God is toegewijd. Niet erg slim, oneerlijk en bovendien streng verboden!

Wat gebeurt? De inname van het stadje Ai mislukt: 36 Israëlieten sneuvelen. Al gauw blijkt waarom. God is woedend vanwege wat Achan heeft gedaan.
Achan biecht zijn zonde op. ‘Ik beken dat ik heb gezondigd tegen de HEER, de God van Israël.’ Hij vertelt bovendien waar hij de buit verstopt heeft. ‘Ik kon mijn ogen er niet vanaf houden en heb het gestolen. Het ligt allemaal in mijn tent onder de grond verborgen. Het zilver ligt onder de mantel.’
Dan volgt een verschrikkelijke straf. ‘Hij en al de zijnen werden door heel Israël gestenigd en verbrand. Daarna bedolven ze hen onder een grote hoop stenen. Toen bekoelde de woede van de HEER.’

De hoger opgeleide op internet begrijpt heel goed dat zonde moet worden bestraft. ‘Maar dat Hij heel het volk verantwoordelijk houdt voor een daad van een individu…’
Inderdaad: 36 onschuldige Israëlieten sneuvelen bij de mislukte inname van Ai. En alsof dat niet erg genoeg is, moeten ook nog eens alle zonen en dochters van Achan eraan geloven, plus al zijn runderen, ezels, schapen en geiten. Nota bene: alsof Achan zijn zonde niet eerlijk had opgebiecht! Geen wonder dat de hoger opgeleide op internet zijn boosheid en teleurstelling niet voor zich kan houden: ‘Toch wordt hij gestenigd. Waarom krijgt hij geen vergeving?’

Logisch toch, deze boosheid? ‘Dat is toch God? Hij vergeeft toch als iemand zijn zonden belijdt?’

De conclusie van de teleurgestelde broeder is dan ook: ‘Als mijn vader een psychopaat is en allerlei rare dingen doet, dan word ik toch ook niet veroordeeld?’

Mag ik nu even aandacht vragen voor mijn eigen boosheid?
Nog veel bozer dan de man op het internet werd ikzelf toen ik las wat een respectabele pastor (ik zal zijn naam maar niet noemen) de vraagsteller op internet ten antwoord gaf. Hij geeft enkele kanttekeningen die de zaak ‘begrijpelijk’ moeten maken.

In de eerste plaats verwijst hij naar zijn overleden moeder. Zij was onderwijzeres geweest en had dit verhaal over Achan in de klas verteld. Toen had een leerling gezegd: ‘Wanneer die kinderen niet gedood waren, zouden ze later altijd uitgescholden worden met: daar zijn de kinderen van die dief!’ Suggestie: hun dood was toch wel het beste…
Vervolgens moest de vraagsteller op internet ook bedenken dat Achans kinderen waarschijnlijk getuigen van het misdrijf waren. ‘Het lijkt me sterk dat iemand in een tent een kuil kan graven en dingen verstoppen, zonder dat de medebewoners van die tent daar iets van merkten of wisten.’
In de derde plaats was van belang te weten: ‘Achan heeft wel spijt betuigd en om vergeving gevraagd, maar pas toen alles was uitgekomen.’

Ik zou me goed kunnen voorstellen dat die boze, teleurgestelde vraagsteller op internet na het lezen van dit antwoord helemaal door het lint is gegaan! Alsof David niet vergeving ontving pas toen zijn overspel met Batseba en de liquidatie van haar man Uria aan het daglicht waren gekomen!

Zo is er nog wel meer om je druk over te maken.
Wat lees ik bijvoorbeeld in het hoofdstuk dat volgt op het verhaal over de steniging van Achan? God stuurt Jozua met zijn leger opnieuw naar Ai, met de volgende instructie: ‘Doe met Ai en de koning hetzelfde als wat je met Jericho en de koning hebt gedaan. Maar nu mogen jullie de goederen en het vee voor jezelf buitmaken.’ Met andere woorden, wat de vorige dag Achan nog hoogst kwalijk werd genomen, is nu voor iedereen toegestaan: plunderen, jongens! God vindt het prima!

U vraagt zich af welk antwoord ikzelf gegeven zou hebben aan de boze man op internet?
Hier komt het.

Beste broeder, ik kan me je boosheid en teleurstelling heel goed voorstellen. Maar wees getroost: God is het helemaal met je eens! In de Bijbel kun je al tot het inzicht komen dat Hijzelf zijn houding veranderd heeft. Lees maar met me mee.

In het boek Deuteronomium (later geschreven dan het boek Jozua) lees ik in 24:16 ‘Ouders mogen niet ter dood gebracht worden om wat hun kinderen hebben misdaan, en kinderen niet om de misdaden van hun ouders; alleen om wat iemand zelf misdaan heeft, mag hij ter dood gebracht worden.’
In het boek van de profeet Ezechiël 18 wordt zelfs gezegd dat God niets te maken wil hebben met de gedachte dat kinderen moeten boeten voor de zonden van de ouders. ‘De HEER richtte zich tot mij: “Waarom gebruiken jullie in Israël toch het spreekwoord: Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stroeve tanden? Zo waar ik leef – spreekt God, de HEER –, nooit meer mag iemand bij jullie in Israël dit spreekwoord in de mond nemen! Weet dat alle mensenlevens mij toebehoren: zowel het leven van de ouders als dat van hun kinderen ligt in mijn hand, en alleen wie zondigt zal sterven”.’

In vers 20 wordt dat nog eens helder samengevat: ‘Iemand die zondigt zal sterven, maar een zoon hoeft niet te boeten voor de schuld van zijn vader, en een vader hoeft niet te boeten voor de schuld van zijn zoon; wie rechtvaardig is wordt als een rechtvaardige behandeld, en een slecht mens wordt voor zijn slechte daden gestraft.’

 

Dus, beste boze broeder, wees boos op de Bijbel zoveel als je wilt, maar heb wel oog voor het feit dat God in de loop der tijden veranderd is…
Of moet ik zeggen dat niet God, maar de schrijvers van de Bijbel in de loop der tijden anders over God zijn gaan denken? Eerlijk gezegd spreekt die gedachte mij meer aan dan de gedachte dat God veranderd zou zijn… Niet wij, moderne mensen, zijn anders over God gaan denken. Al in de in Bijbel is men anders gaan denken over God, zie de geciteerde teksten!

Ik hoor gemopper: ja maar, hoe kan ik dan uitmaken welke God de ware is? Die van Jozua of die van Ezechiël? Die van de woede of die van de rechtvaardigheid? Is God kindvriendelijk of totaal niet?

Prijs de hemel: we hebben een plaatje van God. Zijn portret! Zijn unieke Zoon Jezus! Nee, niet een onverstoorbare Boeddha. Niet een (soms) gewelddadige Mohammed. Maar de liefdevolle Jezus. Hij verkondigde een God vol van genade, zoals trouwens al bekend in het Oude Testament, zie Psalm 103:

Hij straft ons niet naar onze zonden,
Hij vergeldt ons niet naar onze schuld.

Ik zie twee afschuwelijke taferelen. Ik zie een dal. Ik zie een heuvel.
Het eerste tafereel: de kinderen van Achan, dood in het dal van Achor.
Het tweede tafereel: Gods eigen kind Jezus, dood op de heuvel Golgota.

Is God veranderd? Ik zou het niet willen beweren.
Mensen, díe veranderen, ook in hun visie op God.

En Jezus, die zelf ook God is?
Hij laat ons zien hoe de God der goden ten diepste is: Hij offert liever eigen leven op dan dat van anderen.
Lof zij Hem in eeuwigheid!

André F. Troost